In mijn kelder staat een knalrode metalen koffer.

Ooit was het de groene legerkist van mijn vader, toen nog een kinderloze soldaat zonder lief. Een dikke 30 jaar later had hij een studerende dochter die op kot ging en op zoek was naar wannabe meubels die niks kostten.  Zoals een legerkist dus.

Nog eens 10 jaar en een likje verf later staat die beruchte knalrode koffer in het huis van die dochter. Niet als goedkope tafel dit keer, maar als brandveilige “kluis der jeugdsentiment”.

Als jong meisje correspondeerde ik graag en veel, met mensen over de hele wereld. Ik praat nu over de vroege jaren ’80 toen internet nog niet bestond, computers nog niet personal waren en telefoongesprekken werden gevoerd via een log toestel met een draaischijf en een hoorn die vasthing aan een snoer. Als je niet thuis was, kon je bellen vanuit een telefooncel op straat, maar dan had je munten nodig, Belgische franken welteverstaan. Naarmate het gesprek langer duurde, zorgde je er maar beter voor dat je voorraad kleingeld groot genoeg was. En dat er buiten geen rij mensen ongeduldig stond te wachten tot je klaar was.

Bpost was toen nog gewoon De Post; het tijdperk waarin de postbode nog als kerntaak had om geschreven brieven bij mensen af te leveren, élke dag. De officiële post stond al in getypte letters, al dan niet met zichtbare correcties. De mechanische schrijfmachines van toen hadden geen tekstverwerker, dus goede typevaardigheden waren echt geen overbodige luxe.  Toen ik een jaar of 11 was, lieten mijn ouders mij een cursus blindtypen van Scheidegger volgen. Ik herinner me nog dat die 8000 BEF (ca. 200 €) kostte, wat toch een kwart van een gemiddeld netto maandinkomen was toen.

Je leerde er je 10 vingers te gebruiken en de toetsten kregen een gekleurd kapje zodat je niet stiekem kon kijken welke letter er op de toets stond. De dagelijkse oefeningen waren oersaai en de lettercombinaties “jklm” of “asdf” werden er letterlijk ingeramd. Plezant was dat huiswerk niet, en je moest een minimaal aanslagen per minuut halen om je diploma te krijgen, maar wat ben ik achteraf dankbaar geweest dat ik dat heb geleerd!

Maar dus, brieven schrijven was mijn lust en mijn leven indertijd.  Brieven ontvangen nog meer. Het liefst schreef ik met anderstalige mensen uit exotische landen. Enig escapisme was me toen al niet vreemd. Waar ik die pennenvrienden precies vond, kan ik niet meer goed voor de geest halen, maar ik vermoed via zoekertjes in magazines.

Het lichten van de brievenbus was een reden om uit bed te komen tijdens de vakanties. De opwinding telkens je een bekend handschrift op een envelop zag, heerlijk!  Nieuwsgierig als ik ook toen al was, keek ik weken uit naar dat volgende verslag over een jong mensenleven. Waar worstelde die ander mee, wat speelde zich af in dat andere gezin dat ik niet kende, welke toekomstdromen leefden er, …

Schrijven met mensen die je in het echte leven niet kent, maakt zoveel mogelijk. Je laat kanten van jezelf zien die nog niet aan de oppervlakte komen in een omgeving waar je fysiek dagelijks moet vertoeven. Je bent nog zoekende wie je bent – of wil zijn – en op papier is die al zoveel interessanter dan in levenden lijve! In mijn brieven was ik de beste versie van mezelf, zonder schaamte, want je wist dat je de lezer ervan nooit onder ogen zou moeten komen. Dat was net het hele concept van pennenvriendschap.

Schrijven met een jongen was al helemààl spannend. In een wereld waar de omgang met leeftijdsgenoten van het andere geslacht beperkt was tot broers (die ik niet had), sloeg ik tilt als een leuke kerel me aansprak. Je kent dat wel. Op zo’n momenten komt er alleen wartaal uit je mond, vanuit een verlammend verlangen om interessant of aantrekkelijk over te komen. Uren nadien slaag je jezelf voor je kop voor de mate waarin je jezelf weer belachelijk hebt gemaakt en bedenkt dan plots wél de geweldig ad remme replieken die de jongen in kwestie het nakijken zou hebben gegeven. Niet mijn geweldigste periode.

Bij het corresponderen was al dat gestuntel er nooit bij. Daar had je tenminste tijd om je boodschap helemaal naar wens vorm te geven, en je bleef nooit achter met het schaamrood op de wangen. Zo waren het brieven van een vakantielief waar ik reikhalzend naar uitkeek, of van die toffe gast uit een Franse jeugdherberg waar ik een boon voor had gehad, of van die schattige Spaanse Erasmusstudent die bij mij op kot had gezeten, zelfs van een jongeman uit eigen land die ik begin jaren ’90 had ontmoet op één van die beruchte zomerse Beiaardavonden in ‘t Stad, op het terras van café Den Doedelzak waar de appeljenever rijkelijk vloeide.

Die jaren tussen pakweg je 16 en 25 die later nogal eens geromantiseerd durven worden wanneer je leven wat in een kabbelende sleur zit. Niet voor niets noemen ze die periode de “reminiscentiefase”. Het zijn de jaren waar je als adolescent voor het eerst van wat vrijheid proeft zonder nog veel verantwoordelijkheid te moeten torsen, waar je vooral met leeftijdsgenoten op pad bent, en waar je zoveel zaken voor de eerste keer ervaart met een intensiteit die naderhand soms nog moeilijk te evenaren is. Waar de wereld nog aan je voeten lijkt te liggen, alle beslissende keuzes nog in het verschiet liggen, en je nog met een aan arrogantie grenzende overmoed kan neerkijken op het gewone leventje van je ouders.

Dat dat saaie leventje onvermijdelijk ook mijn deel zou worden, daar was ik me duidelijk wel van bewust. Vandaar dus de metalen knalrode legerkoffer vol schrijfsels uit mijn jeugd, die ik – als mama van twee kleuters – in de kelder van mijn kersverse eigen huis deponeerde. Daar en dan had ik een visioen waarin ik mezelf als oude, afgeleefde vrouw in een bloemekesschort en met een purperen permanentje op mijn bed zag zitten, temidden van al deze brieven, treurend om de herinnering aan een jonge vrouw die ik ooit was geweest.

In mijn hoofd was ik dan een jaar of 50.  😊

Vandaag ben ik 51.  Ik voel me nog lang niet afgeleefd, bezit alleen schorten met nogal stoute opschriften en mijn laatste permanent dateert van 1986. De rode koffer staat nog steeds in de kelder.  Ik ben dankbaar dat ik tenminste tastbare brieven heb om te koesteren ooit – later als ik oud ben.

Heel benieuwd hoe mijn kinderen later op hun bed sentimenteel gaan zitten wezen, zo omgeven door hun cloud.

2 Reacties

  1. Mmm zeer herkenbaar, ik heb hier nog een metalen doos met alle brieven van mijn “correspondentielief” en andere vriendinnen uit de jaren 80. Beiaardconcerten in ‘t stad, volksdansavonden inzet Nachtegalenpark, waar is de tijd ?

    1. 🙂 Zalige herinneringen!!

Een reactie achterlaten

Your email address will not be published.

You may use these <abbr title="HyperText Markup Language">HTML</abbr> tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>

*